Kop over kop, goed maar niet top

Kop over kop, goed maar niet top
Door: Elias de Bruijne

Het rijden van een ploegentijdrit luistert zeer nauw, het is in feite heel technisch. Dat geldt zeker voor een vreemde tijdrit als Kop over kop, maar gelukkig hebben wij een ploegleider die ons uitstekend begeleidt. De avond voor de Grote Dag verblijven we bij de ouders van Matijn in Emmeloord om de volgende dag niet zo ver meer te hoeven rijden richting Drenthe. Zonder ploegleider Peter, maar gelukkig appt hij nog aan het eind van de middag: ‘Morgen gaan jullie kneiterhard rijden! Als jullie nog advies/peptalk/wat anders nodig hebben kun je mij vanavond bellen.’ ’s Avonds komt dat er niet van, maar ’s ochtends wel. We hebben net een gezonde dosis cruesli en brood naar binnen gewerkt – en Thijs een dubbele portie havermout, geef die jongen ook wat cruesli, hij is zo dun – als we om 9.00 bellen. De Ploegleider neemt verrassend snel op, maar vervolgens blijkt dat hij toch niet helemaal fris is. De kater komt nog net niet door de telefoon naar ons toe gekropen, de informatievoorziening blijft beperkt. Dan moeten we het zelf maar doen. En we – nou ja, Thijs, Bart en Jelmer – weten hoe dat moet, want vorig jaar won de Domrenner natuurlijk. Hop, fietsen in de twee auto’s en richting Roden voor een tweede titel.

Waarom rijd ik eigenlijk mee? Nou, dat zit zo. Zoals bekend heeft Matijn zijn elleboog gebroken en daarom mag ik als gastrenner de leemte die hij achterlaat proberen op te vullen. Thijs rijdt de 100, Bart de 80, Jelmer de 60, Stijn de 25 en ik de 40 kilometer. Prima, want ik ben stiekem een beetje bang om 60 kilometer met de nogal aerodynamisch tempobeulen Thijs en Bart te rijden. Tempobeulen zijn prima, maar niet als je erachter nog half in de wind zit. De verdeling is mooi zo, en we hebben goede hoop op een topresultaat. Onze voornaamste concurrent is waarschijnlijk Metec, de ploeg van Thijs, maar die heeft ons al gerustgesteld: Johim Ariesen kan niet tijdrijden, Stef Krul heeft last van z’n gat, Tijmen Eising is er helemaal klaar mee, enzovoorts. Ik ken Thijs nog niet zo erg goed dus ik weet niet of ik het moet geloven, maar op zich wil ik het wel graag geloven, dus dat doe ik maar. Als je ergens maar in gelooft ben je vaak al een heel eind. Net als indekken, dat werkt ook altijd. Wat dat betreft is Jelmer een man naar mijn hart: ‘ik heb niet zo goed geslapen’, is het eerste wat hij ’s ochtends zegt. Wat een finesse, ik had het zelf kunnen zeggen. Iets anders wat opvalt is dat de beste renners vaak de minst grote mond hebben. Die Thijs, die is verdacht kalm de hele tijd, net als Stijn overigens. Bart niet, maar die is wel goed. Vreemd.

In Roden consumeren we eerst rustig koffie met taart en maken ons dan klaar. Bart heeft een probleempje met zijn achterrem en vloekt vervolgens zo hardgrondig dat zijn fiets nog verder uit elkaar valt, en ik trek tien jaar nadat ik lid ben geworden van de Domrenner voor het eerst in mijn leven het fameuze blauwgele tenue aan. Een historisch moment, maar ik vrees dat het geen bericht op Wielerflits zal opleveren of een vermelding in het wielerjaaroverzicht. Zeer onterecht natuurlijk, maar ja, die wielerjournalisten weten wel vaker de zaken niet op waarde te schatten.

Na het omkleden gaan we allemaal onze eigen kant op. Thijs begint op het startpodium in Roden waar de muziek veel te hard staat en de speaker veel te hard tettert, de rest zoekt zijn startpunt langs het parcours op. Voor mij is dat het pittoreske Een. Ik zit er een half uur op een Tacx waarvan het vliegwiel verkeerd gemonteerd is waardoor ik er nog bijna afdonder, verveel me een beetje en wacht uiteindelijk lichtelijk gespannen op het verschijnen van de gele trein. Als die in de verte de bocht doorkomt en het tussenpunt nadert trek ik me op gang, laat ik de renners passeren en haak ik achteraan aan om eerst het tempo aan te voelen. Dat zit wel snor, maar niet snor genoeg. Thijs en Bart hebben het uitstekend gedaan, maar nu zijn we tijd aan het verliezen. Ik kan het tij niet keren, integendeel. Het vreemde is dat het allemaal niet zoveel pijn doet, maar dat ik gewoon niet hard genoeg kan. De turbo doet het niet. Ondertussen verbaas ik me over Bart die maar blijft doorrammen, en over Thijs die ook nog lange tijd vol meedraait. Wat een talentjes, ik zal hun namen doorgeven aan de scouts van de Volharding, bedenk ik terwijl ik me half achter de smalle rug van Thijs probeer te manoeuvreren. Eigenlijk rijden we toch nog best hard. Sterker nog, als we over de meet zijn blijkt dat we sneller hebben gereden dan vorig jaar (ondanks dat ik op 500 meter voor de finish nog even verkeerd ben gereden), maar vreemd genoeg zijn we nu zesde in plaats van eerste. Met andere woorden, het niveau in de vreemdste ploegentijdrit van het land gaat steeds verder omhoog. Onze vrienden van Metec zijn pas vijfde. Het zou je maar gebeuren, als Continental Team. Dan heeft Thijs het slimmer aangepakt.

’s Avonds blijkt onze Ploegleider toch een uitstekende ploegleider. Hij maakt wraps voor ons en er is bier (we moesten dat zelf halen, maar dat was een puik bevel). Hij heeft het helemaal goed begrepen, die Ploegleider: de nazorg is het allerbelangrijkste aspect van de begeleiding van topwielrenners, vraag maar aan Jan Ullrich. Ik zou ‘m volgend jaar weer aanstellen als ploegleider.

 


30apr

Wedstrijdverslag Omloop van de Bronneger Bult

Door Jasper Hupkes: Na de deceptie van de ronde van Middelstum moest het vandaag gebeuren op de beruchte Bronneger Bult. Na ardennenkamp...

Reacties

Log in om de reacties te lezen en te plaatsen

Onze sponsoren